Gran Canaria wordt ook wel een “miniatuur continent” genoemd, omdat alle facetten daarvan voorkomen: besneeuwde bergtoppen (ca. 2000 m. hoog), woestijnachtige kustvlakten en daartussen een variatie aan andere landschappen.
Door een denkbeeldige diagonaal te trekken, van het N-W (de Agaete Vallei) naar het Z-O (de Tirajana Ravijn) kan het eiland in tweeën worden gedeeld. In de winter botst de overwegend vochtige N-O passaatwind met het centrale bergmassief waardoor er aan de noordzijde meer kans is op de z.g. “horizontale regen”. In het zuiden, aan de leizijde, kan het dan zonnig en droog zijn.
Dit fenomeen verklaart ook waarom het landschap ten zuiden van deze lijn zo dor, kaal en onherbergzaam is, met droge ravijnen waarin hier en daar een ware oase. Ten noorden daarentegen is het landschap veel afwisselender met exotische palmen in weelderig groene dalen, vruchtbare akkers en beboste berghellingen, waarvan de vulkanische oorsprong duidelijk zichtbaar is.